zondag 13 augustus 2017

De schat van de Tor Quadra

Aan de rand van het dorp van Novaledo, langs de weg van Levico richting Borgo Valsugana, zien we de opvallende ruïne van twee torens. Ze werden rond de XIIIe eeuw gebouwd, ter bescherming van een belangrijke oude weg.


Natuurlijk bestaan er over ruïnes veel mysteries en legendes. En ja hoor, ook over de “Tor Quadra” is er een verhaal.
Ik heb deze versie kort geleden gehoord, toen ik logeerde bij mijn zus. We waren met de hele familie aan het eten in de tuin. Van hieruit zagen we de toren.
Er liepen een paar mensen rond de toren, waarschijnlijk toeristen. Iemand aan tafel zei: ‘Ze zijn vast de schat aan het zoeken’. Ik vroeg: ‘Welke schat?’ Ook anderen wisten niet wat er bedoeld werd, dus men vertelde het verhaal.

- Lang geleden, er waren nog geen auto’s en mobieltjes, de mensen van het dorp waren nog arm maar gelovig, en iedere zondag ging men braaf naar de kerk.
Ook wat kinderen gingen, op een zondag ochtend, richting het kleine armoedige kerkje van Novaledo, om de heilige mis voor de kleintjes bij te wonen.
Onderweg, in de buurt van de Tor Quadra, zagen zij een klein, grappig mannetje, in het rood gekleed. Nieuwsgierig keken de kinderen naar hem.
Het mannetje lachte vriendelijk en vroeg: ‘Waar gaan jullie zo vroeg in de ochtend naar toe?’
‘Naar de kerk’ antwoordden ze.
‘Ach, sla de kerk maar een keertje over, ik heb iets mooiers voor jullie. Een grote schat. Als jullie willen tenminste’.
De kinderen twijfelden, als ze niet naar de kerk gingen werd de pastoor zo boos. En thuis kregen ze zeker een draai om hun oren van hun ouders.
Maar een schat, een berg goud…
Dat is verleidelijk voor arme kindertjes met altijd honger, groot gebracht met kastanjes en polenta. Soms met wat melk en een stukje kaas.
Dus zij gingen het mannetje achterna.
Bij de toren aangekomen, veegde hij met zijn handen wat aarde van een steen, die hij daarna verplaatste. Eronder zat een luik, dat maakte hij open.
De kinderen zagen een steile trap naar beneden, best eng. Maar het mannetje was erg vriendelijk en hij hielp ze. Eindelijk aan het einde van de lange trap gekomen, diep onder de grond, moesten zij nog door een donkere gang.
Dan opeens veel licht, wat een glinstering.
In een grote ruimte zagen zij overal goud, zelfs de polentapan was van goud!
Wat waren de kinderen blij!
Nu konden zij voor het hele dorp eten en kleren kopen, misschien zelfs wel schoenen en…… opeens was het mannetjes verdwenen.
Toen zagen zij, tussen het goud, twee glinsterende rode ogen! Angstaanjagend!
Oh jee, daar kwam, brullend, een enorme bok te voorschijn, met grote horens, Hij was lelijk en erg boos, het schuim stond in zijn bek.
‘De duivel, de duivel!’ schreeuwden de kinderen. ‘Snel, weg hier’.
Ze renden zo hard ze konden, door de gang, de trap op, totdat ze eindelijk buiten waren.
En ze renden nog harder naar hun ouders.
Binnen de kortste tijd wisten alle dorpelingen wat er gebeurd was.
Al dat goud onder de grond! Maar de vreselijk bok dan?
Hier wisten ze wel raad op.
Met stokken, hooivorken en messen gingen ze richting toren. De slimste van het dorp nam voor de bok een geit mee. Dan konden zij, dacht hij, als de bok met de geit bezig was, vlug het goud weg nemen.
Maar waar was de ingang van de tunnel?
Hoe lang zij ook zochten, zij konden hem niet vinden. De kinderen probeerden aanwijzingen te geven, maar er was niets te zien. Nergens was een spoor, het gras lag er netjes bij.
Iedereen ging mopperend terug naar huis.
Sommigen geloofden het verhaal van de kinderen, anderen dachten aan een kwajongensstreek. Maar de ingang is, voor zover we weten, nooit gevonden.


Zelfs vandaag, zie je nog mensen rond de toren lopen zoeken. Onopvallend, bang om uitgelachen te worden, maar ze zoeken voort. Tevergeefs.



Copyright © Pierino Smaniotto - 13-08-2017

Geen opmerkingen:

Een reactie posten